Archief van de categorie ‘Kinderen kijken kunst’

De Nachtwacht.

29 October 2009

Het was vandaag Nachtwachtdag.

(klik op de plaatjes om te vergroten)

Ik ben goed in De Nachtwacht. Vaak zit ik er het hele uur. Het is het laatste uur voor het weekend. Ik ben moe, de kinderen zijn moe. Ze komen maar met zijn zessen. Vijf anderen hebben de Mexicaanse griep. Er is een nieuw meisje bij. Dit is haar eerste week in deze klas. Ze heeft afgekloven nagels, ze knippert aldoor met haar ogen.
Het is raar rustig in het museum. De kinderen zijn geïmponeerd door het grote schilderij. We gaan in een hoekje voor Rembrandts meesterwerk zitten. Ik zit met mijn rug naar het schilderij, en de kinderen kijken naar het doek achter mij. Ik probeer zoals altijd de kinderen te helpen het doek kijkend af te tasten.
‘Meester, wat een coole wapens.’ Zegt de enige jongen van de groep. ‘Dat daar is een musket.’
‘Als jij nu eens stilletjes telt hoeveel geweren er op het schilderij staan. Dan vertel ik intussen even welk geluid dit schilderij maakt.’ Meteen schieten zijn ogen scherp kijkend heen en weer.
‘Geluid meester?!’ roept het meisje dat van paarden en honden houdt.
‘Ja, dat schilderij maakt een geluid. Zie je die jongen met bladeren op zijn hoofd? Hij staat tussen de man in het zwart en het meisje met het gekke licht. Hij heeft een geweer vast. Zijn geweer is achter de man in het zwart. Bij de rand van de hoed van de man in het wit zie je een beetje rook, en misschien zelfs vuur.’

Hij schiet, op dit moment schiet hij. Hij moet het leren. Daarom hangt dat rode lapje daar helemaal rechts aan die speer. Hij schiet trouwens veel te laag.’
‘Oh,’ zucht het paardenmeisje, ‘dat is dat geluid. Het schilderij knalt.’
De kinderen kijken.
‘En daarom schrikt die hond natuurlijk ook.’ zegt ze dan blij verrast. Ze glundert.

Al vragend en pratend vult het uur zich langzaam. Het meisje met de kip aan haar riem komt ter sprake, en of zij al dan niet Saskia de vrouw van Rembrandt is. We kijken naar de vlag. Ik vertel over die gek die in het schilderij heeft gesneden.

Ik vertel over het opgerolde doek in de oorlog in een grot in Zuid-Limburg. Ik vertel dat het schilderij helemaal niet De Nachtwacht heet, maar…

‘Vijf meester.’ Onderbreekt de jongen me.
‘Wat vijf?’
‘Er staan vijf geweren op meester.’ De jongen kijkt me voldaan aan.
‘Goed zo’ zeg ik. ‘Kom op, jij gaat ze opnoemen.’
Ik ken het ritueel. Af en toe is er een jongen die vuurwapens het interessantst vindt. Hij mag dan de vijf geweren opnoemen.
‘Bij die man in het rood, die jongen die schiet, die ouwe kerel naast die man in het wit, dat zijn er drie. Dan daar die man, achter die arm die wijst, die heeft een geweer op zijn schouder. En daar links, naast die man met die mooie helm, daar staat nog iemand met zijn geweer omhoog.’
‘Mooi, goed gekeken.’ zeg ik.

‘Zes.’
Het nieuwe meisje kijkt me een beetje angstig aan. Ze knippert met haar ogen.
‘Nog een?’ vraag ik haar.
Ik ken het schilderij van buiten. Het zijn er vijf.
‘Daar naast die vlag, een man die zo’n dik hoofd heeft, net als u, die heeft ook een geweer.’
Ze heeft gelijk. Ik ben stomverbaasd.

Aan het eind van de les, bij de garderobe, staat het meisje trots te wachten op haar jas. Ik complimenteer haar nogmaals met haar scherpe blik. Ze knippert met haar ogen.
Als ik thuis ben zoek ik op internet de grootste afbeelding van De Nachtwacht om het geweer nogmaals te bekijken.
Het klopt niet. De man heeft geen geweer vast. Tussen zijn pink en ringvinger heeft hij een gloeiende lont, en in zijn hand een standaard voor een geweer. We hebben ons vergist.
Ik denk dat ik dat volgende week maar niet vertel.

Een week later:
Nog even over de Nachtwacht.

En ja hoor. Vindt het meisje dat niet veel zegt maar heel goed kijkt, toch nog een geweer.
We zijn vandaag voor de tweede keer naar het Rijksmuseum geweest. Omdat er vorige week zoveel zieken waren, gaan we nog even langs bij De Nachtwacht, en daar vindt het meisje nog een geweer. Niet op de grote Nachtwacht zelf, maar op de copie van Gerrit Lundens.
Dit is een copy van voordat het schilderij werd ‘bijgeknipt’ in 1715.
Het hangt in dezelfde zaal als de echte Nachtwacht. En daar, aan de zijkant, staat nog een mannetje, en hij heeft een geweer vast. Het klopt.
Voor wie het interesseert wat er afgesneden is:

Anatomische les van Dr. Joan Deyman.

22 October 2009

Van de week zit ik met kinderen van een groep 8 in het Amsterdams Historisch Museum. Het is een lieve, witte klas. Er zit één moeilijke jongen in de klas, Mohamed. Hij is het enige kind van niet Nederlandse komaf. We hebben al twee keer een aanvaring gehad. Hij wilde zijn jas niet uitdoen vandaag. Hij heeft het koud. Hij moet toch, zoals iedereen zijn jas uit.

We gaan zitten bij Anatomische les van Dr. Joan Deyman van Rembrandt.

De-anatomische-les-van-Dr.-Deijman-1

Het schilderij maakt, zoals steeds, grote indruk op de kinderen. ‘Ieuw meester, wat vies.’ Gilt een meisje. ‘Meester wat is dat rooie, heeft hij rood haar?’ Vraagt een jongen. ‘Nee joh, dat zijn zijn hersenen.’ Gilt het meisje. ‘Gatverdamme.’

De klas kalmeert en we gaan voor het schilderij zitten. Ik vertel over Rembrandt en hoe fantastisch die voeten uit het schilderij lijken te steken. ‘Die dode man is Zwarte Jan, hij was een Belg en een moordenaar en ter dood veroordeeld. Nadat ze hem hadden dood gemaakt gingen ze hem onderzoeken.’ Ik vertel over de Waag op de Nieuwmarkt, waar in de gouden eeuw publieke lijkschouwingen werden gehouden. We hebben het erover dat er ooit iemand als eerste in mensen ging snijden om te kijken wat er in ons zit, en dat dat fijn is, omdat je daarom nu naar het ziekenhuis kunt als er iets met je is.

Mohamed doet niet echt mee aan het gesprek. Hij zit stil te kijken.

‘Meester, wat is dat gat in zijn buik?’ roept een heel klein jongetje.

‘De dag voordat Rembrandt naar de Waag ging om een schets voor dit schilderij te maken, hadden ze zijn buik al leeggehaald.’ antwoord ik.

‘Gadverdamme meester.’

‘Die voeten zijn het dichtst bij ons, en dan, via die witte doek. kijk je in dat gat en dat leidt onze blik omhoog naar zijn gezicht en dan naar zijn ……’

‘Meester, die ogen!’ roept Mohamed plots. Hij springt op. ‘Die ogen. Het is alsof de Dood je aankijkt.’

En daar sta ik. Altijd gedacht dat het om die hersenen ging. Maar Mohamed heeft gelijk. Het gaat om die ogen, om de Dood in die ogen. Alsof je de Dood in de ogen kijkt.

De kinderen zijn er stil van. Ik ook.

‘Kom’, zegt Mohamed ‘we gaan hier weg.’

En dat doen we.

Stilletjes.