admin

About admin

This author has not yet filled in any details.
So far admin has created 13 entries.

Abstract

We zijn in het nieuwe Stedelijk. Het is een klas met allemaal kleurtjes. Montessori. De jongsten vind ik wel erg klein.
Ik laat ze Washing Hands Abnormal van Bruce Nauman zien.
‘Zonde van het water’, zegt een krullenmeisje.
‘Zonde van de zeep zal je bedoelen’, zegt haar beste vriendinnetje.
Gearmd staan ze te kijken als dames voor een etalage.
‘Laat elkaar eens los. Dit is les, geen gezellig wandelingetje.’ zeg ik streng.
‘Wat zie je?’


‘Iemand die zijn handen wast.’ probeert een wat dikkig meisje met paarse kleren.
‘Gaan we verder?’ vraagt het krullenmeisje.
‘Nee,’ zeg ik, ‘we gaan eerst onderzoeken wat we zien.’
Ik zet het kleinste jongetje met zijn neus voor het scherm.
‘Wat zie je?’ vraag ik.
‘Niks.’ antwoord hij giechelend.
‘Je hebt je ogen open maar je ziet niks. Dat kan niet. Wat zie je?’ ik laat het geïrriteerd klinken.
‘Ik zie puntjes meester.’ zegt hij een beetje geschrokken.
‘Goed, welke kleuren?’ vraag ik kortaf.
‘Groen en rood, en blauw, meester. Is dat goed?’
‘Wat zie je rood, groen en blauw?’
Het jochie snapt het niet. Wiebelend staat hij met zijn neus voor de beeldbuis.
‘Waar zijn die rode, groene en blauwe puntjes van gemaakt?’
De klas snapt er niets van. Ze vinden het vervelend dat ik zo geïrriteerd spreek.
‘Licht?’ vraagt het jongetje schutterend.
‘Hartstikke goed kerel.’ zeg ik zacht en belonend, en de spanning zakt al weer. Trots gaat het jongetje weer bij zijn vriendje staan.
‘Rood, groen en blauw licht. Die meiden kletsen uit hun nek als ze zeggen dat ze handen wassen zien.’ Dat laten de vriendinnen, die al weer gearmd staan, zich niet zeggen.
‘Natuurlijk zijn het wel wassende handen, dat zie je toch.’ puft het krullenmeisje.
‘Hij zegt dat hij rode groene en blauwe puntjes licht heeft gezien.’ werp ik haar tegen.
Ongelovig kijken de kinderen mij aan.

‘Weet je nog dat we bij de Nachtwacht waren? Wie stond daar in het midden?’
‘Zo’n man in het zwart, en er waren ook shotguns.’ zegt een knaap met een bol gezicht.
‘En waar was die man van gemaakt?’
Even vraag ik me af of dit te hoog gegrepen is.
‘Verf!’ roept het jongetje.
Ooo, dat bedoel hij lijkt de klas te denken.
‘Ja,’zeg ik ‘ We zien verf, en dat stelt een man in het zwart voor. We zien rood, groen en blauw licht, en dat stelt handen wassen voor. We zien iets, en het betekent iets anders.’ Ik moet het nog een paar keer uitleggen, maar dan snappen ze het allemaal.

We gaan verder.
Tevreden over hoe goed ik dit allemaal heb uitgedacht loop ik, als een eend, met een stoet kinderen achter mij aan door het museum. Ik neem de kinderen mee naar The Gate van Barnett Newman.


‘Wat zie je?’ vraag ik. We zijn gaan zitten op een klein bankje.
‘Niks meester.’ zegt het krullenmeisje.
‘Nee, joh, verf.’ legt het jongetje het nog eens uit.
‘En wat stelt die verf voor?’
‘Niks!’antwoord het beste vriendinnetje ontevreden.

De les gaat verder, ik leg de kinderen uit dat dit abstracte kunst wordt genoemd. Dat abstracte kunst alleen zichzelf voorstelt en niet iets anders. En later vertel ik dat het schilderij The gate (de poort) heet. En dan zien de kinderen een poort. De knaap met het bolle gezicht houdt zijn hoofd schuin en ziet een landschap. Alle kinderen houden hun hoofd schuin en zien een landschap.
Alle kinderen zijn stil en staren naar het schilderij.

‘Ik kan iets zien dat nergens van is gemaakt.’ fluistert het meisje in paarse kleren.
‘Vertel eens?’ vraag ik haar.
Het meisje krijgt een rood hoofd.
‘Het is eigenlijk geheim.’
De hele klas kijkt naar haar.
‘Wil je het ons vertellen?’ vraag ik zo vriendelijk mogelijk.
‘Nou,’ ze lijkt te krimpen, ‘toen ik nog op mijn andere school zat, toen werd ik heel erg gepest, en toen heb ik een vriendje bedacht. Hij is altijd bij me. Ik kan hem zien’
‘Is hij er nu ook?’ vraagt het krullenmeisje.
‘Ja, hij staat daar, daar in die hoek.’
We kijken allemaal in een witte hoek van de Erezaal van het Stedelijk.
‘Dat is ook abstract.’ zegt het kleine jongetje.

Insomnia

00:00    00:11    00:22    00:33    00:44    00:55
01:01    01:02    01:10    01:23
02:02    02:20    02:34
03:03    03:06    03:09    03:21    03:30    03:33    03:45
04:04    04:32    04:40    04:56
05:05    05:10    05:43    05:50
06:06    06:09    06:42    06:54
07:07
08:08
09:06    09:09
10:01    10:10    10:20    10:30    10:40    10:50
11:11    11:22    11:33    11:44    11:55
12:12    12:21    12:34    12:36    12:48
13:13    13:31    13:57
14:14    14:41
15:15    15:30    15:45    15:51
16:16
17:17
18:18
19:19
20:02    20:10    20:20    20:40
21:12    21:21
22:11    22:22    22:33    22:44    22:55
23:23    23:32    23:45

Veertien

Gisteravond keek ik naar de Super Bowl van vorig jaar. Daar hoorde ik vertellen dat James Harrison, van de Pittsburgh Steelers, zo sterk is, omdat hij is geboren als jongste telg in een gezin van veertien. Drie kwartier later, voor het slapengaan lees ik in Nicolaas Matsiers Gesloten huis dat de vader van Matsier ook de jongste was uit een gezin van veertien.

Na het wakker worden, bij het lezen van de krant, verneem ik dat het dodental van de explosie vorige week in Luik gestegen is tot veertien. Verderop in de krant staat dat naast handschoenen en lichtgevende staafjes (voor het geval het licht uitvalt) deelnemers aan de Olympische Spelen ook condooms krijgen uitgedeeld; let wel, veertien. En nog wat verder lees ik dat op Kornwerderzand veertien huizen staan.

En dan lees ik dat Cruijff ambassadeur wordt van het comité dat probeert het WK voetbal naar Nederland en België te halen. Cruijff had het legendarische rugnummer veertien. De geboortedatum van Cruijff is 25-04-1947. 25 = 2 + 5 dus 7, 04 = 0 + 4 dus 4, 1947 = 1 + 9 + 4 + 7 = 21 = 2 + 1 dus 3. De som van zeven, vier en drie is veertien.

Nu ik het er toch over heb, dan Bach. De B is de tweede letter van het alfabet, de A de eerste, de C de derde en de H is de achtste. 2 + 1 + 3 + 8 = 14. Bach schreef zijn Matthäus Passion in 14 koralen. In de Matthäus wordt 14 maal naar het hart verwezen. De basbegeleiding speelt 365 noten, waarmee Bach zou willen aangeven dat Jezus de basis is voor elke dag van het jaar. En 3+6+5=14. Voor Bach was dit erg belangrijk, want veertien is twee keer het heilige getal van de volmaaktheid zeven. Volgens Mattheüs, de schrijver van het evangelie, zijn er drie keer veertien generaties tussen Abraham en Jezus. Tussen haakjes, om uit te komen op de veertien geslachten, laat Mattheüs bewust enige onbelangrijke koningen weg.

En natuurlijk Lodewijk de veertiende. Hij werd op 14 mei 1643 (1+6+4+3=14) koning van Frankrijk. Hij stierf in 1715 (1+7+1+5=14), op zevenenzeventig jarige leeftijd (7+7=14).

Maar dan Henri de Bourbon, wiens naam bestaat uit veertien letters. Hij was de veertiende koning van Frankrijk en hij werd geboren in december 1553 (1+5+5+3=14), veertien eeuwen, veertien decennia en veertien jaren na de geboorte van Christus.

Maar veertien dagen noemen de Fransen dan weer quinze jours, wat, naast dat het vreemd is, ook wel weer iets geruststellends heeft.

Horizontaal en diagonaal

We zijn in het Rijksmuseum. Ik ben voor De bedreigde zwaan van Jan Asselijn gaan zitten.

Het is een montessoriklas van groep 6, 7 en 8, die vorig jaar ook al mee heeft gedaan aan de kunstkijkuren. De kinderen van groep zeven en acht kijken me aan alsof ze de hele wereld al begrijpen, maar er zijn ook zesdegroepertjes voor wie alles nieuw is.

‘Die hebben we vorig jaar ook al gezien’, zegt een grote jongen.
Een klein meisje met een hertje op haar t-shirt blijft naar mij staren.
‘Je moet naar het schilderij kijken Bambi. Dat licht dat door die veertjes schijnt is veel interessanter dan die kop van mij.’

‘Hebben jullie hem vorig jaar gezien, of zijn jullie er langs gelopen?’ vraag ik.
‘We hebben er toen over gepraat. Over die woorden die er op staan, kijk daar, de Raadspensionaris.’
‘Oh, ja, nu weet ik het ook weer. Kijk daar, De viand van de staat. Dat betekent vijand.’
‘En daar, Holland, op die eieren.’
“Ik vind die zwaan heel mooi’, zegt het meisje met het Bambi-shirt zachtjes.

Ik laat de zesdegroepertjes zien waar de woorden op het schilderij zijn geschreven.

horizontaal-diagonaal-raadspensionaris horizontaal-diagonaal-de-viand-van-de-staat horizontaal-diagonaal-holland

‘Het schilderij heet: De bedreigde zwaan. Maar waardoor wordt die zwaan nu eigenlijk bedreigd?’ vraag ik.
‘Door die hond natuurlijk’, antwoordt de grote jongen.
‘Dat klopt,’ zeg ik, ‘maar is er op het schilderij nog iets anders dreigends te zien?’
De kinderen kijken.

‘Die wolken’, zegt een dunne jongen.
‘Ja,’ zeg ik, ‘moet je die wolk zien. Wat is dat voor een soort wolk?’
‘Een donderwolk’, zegt de dunne jongen.
‘Heb je wel eens gehoord over dreiging die in de lucht hangt?’ vraag ik.
‘Ja natuurlijk!’ roept het Bambimeisje. Ze kijkt zelf een beetje dreigend.

‘Moet je nu eens kijken’, begin ik, ‘die hond staat in de linker benedenhoek, en die wolk rechtsboven. De kop van de zwaan is er tussenin. Hoe noem je een lijn van linksonder naar rechtsboven?’
De kinderen lijken niet te snappen wat ik bedoel.
‘Schuin,’ zegt dan de dunne jongen kordaat.
“Ja, maar wat is een ander woord voor schuin?’ De klas kijkt mij aan.
‘Diagonaal?’ doorbreekt de grote jongen de stilte.
‘Goed zo. Niet horizontaal, niet verticaal, maar diagonaal’, doe ik pedagogisch mijn best.
‘En is dit nu een rustig of een druk schilderij?’ vraag ik.
‘Druk meester’, roepen ze door elkaar.
‘Juist,’ zegt ik, ‘dat komt door die schuine lijn, die maakt het schilderij druk. Kom op, we gaan zoeken naar nog meer drukke en rustige schilderijen.’

‘Deze meester!’ roept een klein jongetje, wijzend op een zeestuk van Jan van de Cappelle.

‘Is dit een druk of een rustig schilderij?’ vraag ik naar de bekende weg.
‘Rustig natuurlijk,’ wordt er geantwoord.
‘Maar er wordt geschoten door een van die boten’, probeer ik verwarring te scheppen.
‘Toch is het rustig. Kijk maar naar de horizon’, legt het Bambimeisje mij uit.

‘En deze?’ vraag ik duidend op een ander zeestuk van Ludolf Bakhuysen.

‘Druk!’ roepen de kinderen.
‘Ja, diagonale masten’, verduidelijk ik.
Na nog een paar schilderijen hebben alle kinderen het door.

‘Kom,’ zeg ik dan, ‘we gaan naar de Nachtwacht.’
Als we net voor het schilderij zitten, en ik constateer dat ik nog een mooi half uurtje heb, komt er een grote groep medewerkers van het museum de zaal binnen. We moeten opstaan, en met blauw lint wordt de helft van de zaal afgezet. De vitrine met zestiende eeuwse geweren is scheefgezakt.

De les valt stil. Dit is veel te spannend. Muisstil staan de kinderen achter het lint te kijken. Het glas wordt losgemaakt en de musketten worden uit hun dragers getild. Een voor een komen ze tot leven.
‘Spannend hè meester’, zegt een klein jongetje met grote ogen.
‘Ja,’ bevestig ik, ‘ik hoop niet dat er een afgaat.’ Het jongetje kijkt me bezorgd aan.
Een medewerkster van het museum legt de kinderen uit dat de geweren naar een opslagkamer gaan tot de vitrine weer gerepareerd is.
Vijf medewerkers lopen achter elkaar, ieder een musket dragend, de zaal uit.
‘Kijk meester,’ zegt plots het Bambimeisje, ‘ze dragen de geweren diagonaal. Wat een drukte!’

Uzi.

De school is nieuw. De trappen gaan op en af. De juf is mooi.
Ik ben in een school. De inleidende lessen zijn aan de beurt deze week. In die lessen vertel ik de kinderen over de musea, wat we er gaan doen, wat ik van hen verwacht, en ik vertel over het leven van Vincent van Gogh. We gaan maar een keer naar het Van Goghmuseum. Ik vind het zonde om die tijd aan zijn leven te besteden. Dat leven dat voor kinderen zoveel vragen oproept. Het werkt ook goed om het levensverhaal en de schilderijen op losstaande momenten te behandelen. Ik denk dat je het werk van Van Gogh geen recht doet als je depressie, zelfmoord, armoede en afgesneden oren gaat zoeken.

‘Meester, gaan we ook naar het tropisch museum?’ roept een jongen met halflang blond haar na twee minuten. Ik had ook van dat haar, toen ik nog met mijn neus, in plaats van mijn rug, naar het schoolbord gericht zat.
‘Daar zal het wel warm zijn.’ antwoord ik. Het meisje met het blauwe truitje voor hem, begint te grinniken. Zij is uit groep zes, en hij uit groep acht; een montessoriklas. Ze draait zich om en zegt: ‘Tropenmuseum oenie, niet tropisch.’
‘Wat zijn eigenlijk de tropen?’ houd ik de klas voor.
‘Dat is heel warm.’ antwoordt de andere jongen met halflang blond haar, die duidelijk niet naast zijn gelijk gekapte vriendje mag zitten en dus maar onderuitgezakt onder de vensterbank hangt.
‘Nee joh, tropen is geen temperatuur.’ dient het meisje met het blauwe truitje ook hem van repliek.
‘Er is ook woud’, zegt een klein jongetje, dat in de schaduw van de reus naast hem, mij nog niet was opgevallen. ‘En wilde dieren en leeuwen en tijgers en slangen’, gaat hij verder, ‘en regen en lianen en woudreuzen.’ De klas kijkt bewonderend naar hem.
‘Ja dat klopt’, antwoord ik, ‘maar ik bedoel niet wat je er hebt, maar wat het is’.
De klas is stil.
‘Dat zijn de landen in de buurt van de evenaar.’ zegt de juf plots.
‘Ja, hartstikke goed juf.’ zeg ik dan maar.
Ik vertel over het Tropenmuseum en over hoe een museum aan haar collectie komt. Ik vraag wie er iets verzamelt, en we hebben het nog even over het begrip volkeren, dat door een meisje wordt verward met folklore.
.
‘Vierhonderd jaar geleden kwamen de Hollanders aan in Indonesië, zetten voet aan land en riepen: ‘Mooi, nu is dit land van ons’. Maar als ik nu bij jou in je tuin kom,’ zeg ik tegen de jongen met halflang haar, ‘En ik zeg: ‘Zo nu is deze tuin van mij.’ wat zou jij dan zeggen?’
‘Opgedonderd!’ roept hij.
‘Ja, en waarom zeiden die mensen die al duizenden jaren in Indonesië woonden dat dan niet?’
Er valt een stilte. De juf wil iets zeggen, maar ik kan haar nog net met een handgebaar daarvan weerhouden.
‘Misschien durfden ze het niet?’ probeert het kleine jongetje. ‘Of ze wisten niet hoe dat moest.’ doet hij nog een poging.
‘Nee, ze hadden geen wapens.’ zegt het kleine meisje met het blauwe truitje.
‘Precies,’ zeg ik, ‘En wat voor wapens hadden ze niet?’
De klas denk na.
‘Vuurwapens!’ zegt de jongen onder de vensterbank.
‘Juist,’ zeg ik. ‘Ze hadden geen geweren en geen kanonnen, geen pistolen en geen musketten.’
‘Uzi,’ zegt dan de reus naast het kleine mannetje.
Het is het enige woord dat hij tot nog toe gezegd heeft.

De les gaat verder maar blijft onrustig en chaotisch. We hebben het nog over abstractie en Rembrandt en het verschil tussen mooi en prachtig en lelijk en afschuwelijk. Als ik heb verteld dat we in elk museum op de grond gaan zitten en dat ze niet mogen wijzen naar een schilderij is de les voorbij.
‘Ik heb wel zin in deze klas’, denk ik. Ik neem afscheid en wil weggaan.
Als ik langs de reus loop, fluistert hij me nog toe: ‘AK-47.’

Meester, komen er ook kunstenaars uit Turkije?

Bij de deur staat een jongen die met zijn rechterhand een stuk karton boven zijn hoofd houdt. In zijn linkerhand houdt hij een camera. Hij maakt foto’s van handen die een deurklink vastpakken. De kinderen kijken verwonderd, maar ook afwijzend.

‘Wat deed die man?’ vraagt een dik Turks meisje met een knellende spijkerbroek.
‘Ik weet het niet,’ zeg ik, ‘kom, dan gaan we het vragen.’

Ik ben weer in de Rietveld Academie. En net als vorige week hoost het van de regen.

‘Wat bent u aan het doen?’
‘Sorry, ik spreek niet Nederlands.’
‘What are you doing?’
‘I’m taking pictures from hands on the door. The differences in how people open a door interests me.’

‘Wat meester, wat zegt hij?’
Ik vertaal wat hij verteld heeft en vraag dan waar hij vandaan komt.
‘I’m from Turkey, from Istanbul’
‘Wat, meester, komt hij uit Turkije.’
Vier meisjes staan direct vooraan. Voorzichtig beginnen ze Turks met hem te spreken. Het gesprek gaat in het Turks, Engels en Nederlands langzaam vooruit.
‘Meester, komen er ook kunstenaars uit Turkije?’
‘Ja, er staat er eentje voor je neus.’

‘Is hij een kunstenaar?’ vraagt een van de Turkse meisjes met een schuin oog op de jongen gericht. Er volgt weer een gesprekje in het Turks.
‘Hij weet nog niet of hij kunstenaar is.’ vertaalt een van de meisjes.
‘Hij ziet er uit als een zanger.’ De meisjes giechelen.

We spreken af dat we hem, aan het eind van het uur, weer zullen treffen om de foto’s te bekijken. Na het breien, en een bezoekje aan het computerlokaal, gaan we de Turkse jongen weer opzoeken.

Aarzelend staat hij ons op te wachten. Zestien allochtone Nederlandse kinderen die hij zijn werk laat zien, met dat idee zal hij niet zijn bed zijn uitgestapt. Hij laat ons de foto’s zien van de handen die de deur aanraken. De kinderen kijken met opgetrokken neus. Ik vraag of dit het kunstwerk is, of dat dit materiaal is waarmee hij een kunstwerk wil gaan maken. Wat hem interesseert is dat iedereen op een verschillende manier de deur opent.
‘Niemand is hetzelfde.’ zegt hij.
De Turkse meisjes die buiten met hem hebben staan praten kijken met grote ogen, maar draaien langzaam van hem weg.
‘Ik vind het maar gek,’ zegt een van hen, ‘foto’s van handen, dat kan toch iedereen.’
Er volgt weer een gesprekje in het Turks waarbij ik de gezichten van de kinderen zie opklaren.

Als we in de gang naar de jassen lopen vraag ik waar dat laatste gesprekje over ging.
‘Ach, hij is wel Turks, maar hij is geen Moslim.’ zegt het meisje met de strakke spijkerbroek.

Wij liggen elkaar niet zo goed.

En dan eindelijk is het zover. Ik heb voor het eerst een gevecht in de klas.
Het was het eerste uur. Vers van de fiets, in het Amsterdams Historisch Museum, vliegen er twee elkaar in de haren. Een lief meisje met een brilletje, dat ze veertien keer per les in en uit haar brillenkoker neemt, en een stille, mooie jongen. Bovenaan de trap hoor ik rumoer achter mijn rug. Ik draai me om en zie haar hem duwen. Ogenblikkelijk vliegt hij haar aan. Ik kan gelukkig nog net tussenbeide komen. Het kost me moeite ze uit elkaar te houden. En ook mijn roepen, dat ze dienen op te houden, lijkt geen invloed te hebben. Uiteindelijk stoppen ze toch. Ik ben geschokt door het voorval en erg kwaad.

“Niet in mijn les! Ergens anders doe je wat je wilt, maar niet in mijn les!” bulder ik. Dat ik geen vechtende kinderen in mijn les wil hebben is het enige dat me te binnen schiet. Ik ben me bewust dat mijn geroep pedagogisch misschien niet de juiste zet is, maar ik laat mijn kwaadheid en verontwaardiging de vrije loop. De twee kijken naar me, maar mijn woorden, hoe hard ik ze ook roep, lijken niet bij ze binnen te komen.

Dan komt de juf.
“Wat is hier aan de hand?” vraagt ze rustig.
Met grote verbazing hoor ik de jongen uiterst rustig zeggen: “Wij liggen elkaar niet zo goed juf.”
Het meisje, ook alsof er niets is gebeurd: “Ja juf, ik duwde hem en toen begonnen we te vechten.”
“Wat moet je doen als je boos bent?” vraagt de juf aan het meisje.
“Bij u komen juf.” antwoordt ze.
De juf kijkt me aan.

“Iedereen weer rustig?” vraag ik. “Zullen we dan maar weer verder gaan?”
“Ben jij ook weer rustig?” vraagt de juf glimlachend aan mij.
Ik knik en als een moedereend loop ik met een tros kleintjes verder het museum in. Ik voel het nog wat natrillen in mijn borst.

We gaan lekker naar die ‘dooie man’ van Rembrandt kijken.

Rumphius.

We staan in het Tropenmuseum. Ik ga graag naar een zaaltje waar allerlei opgezette dieren staan. In een vitrine staat een wassen beeld van Georg Rumphius. (Ik heb het hele internet afgezocht naar een plaatje van dat beeld, maar het is niet te vinden. Over twee weken werk ik in het Tropenmuseum en zal ik zelf een foto nemen om deze lacune aan te vullen. Onderstaand plaatje is een indicatie.)

Het wassen beeld is zeer levensecht. De afgebeelde man, een Duitse botanicus uit de Gouden Eeuw, is blind. Hij betast een schelp. “Hij kijkt met zijn vingers meester!”

Ik ga door met de les en laat de tand van een narwal zien en vertel de legende van de eenhoorn. Deze legende zou zijn bedacht om de herkomst van zulke tanden te verklaren. De kinderen vinden het een spannend verhaal.

Bij het weglopen naar een volgende zaal plots een opmerking van een meisje met roze brilletje. Duidend op de levensechtheid van het beeld van Rumphius zegt ze: “Het lijkt wel of hij bijna afhankelijk wordt.” Ik kijk haar vragend aan. Ze kijkt een beetje hulpeloos terug. “Ja,” zeg ik, “dat vind ik ook.”

Breien.

Soms vind ik het werk vervelend. Zo ook gisteren. Wachtend op een leuke opmerking van een kind voor deze blog, loop ik rond op de Rietveld Academie. De kinderen hobbelen achter mij aan.
Ik werk hier voor het eerst. Ik vind het persoonlijk geen goed idee om kinderen, die je wilt laten kennis maken met het beste en mooiste dat we hebben aan kunst, mee te nemen naar een academie waar overduidelijk het kaf nog van het koren moet worden gescheiden. Maar goed, het is een noodsituatie. Het Stedelijk Museum is dicht. We willen de kinderen ook iets van het heden laten zien. We hebben in Amsterdam op het gebied van moderne kunst onze kinderen momenteel niets anders te bieden dan de Rietveld Academie en een dependance van de Architectuur Biënnale.
Dus ik loop, met mijn ziel onder mijn arm door de Rietveld Academie.
Neemt niet weg dat het voor de kinderen leuke lessen zijn. Ze vermaken zich met naar de gekke mensen kijken die rondlopen door de gangen.
‘Kijk meester, een jongen met een knotje!’
‘Hé kijk, dat rare meisje loopt op blote voeten.’

Af en toe spreken we een student. Dat vinden de kinderen eigenlijk het leukst. Ze vinden het razend interessant om een ‘echte’ kunstenaar te spreken. En net als deze kinderen het leuk vinden is het een groeiende vraag van museumbezoekers: ‘Zouden we de kunstenaar kunnen ontmoeten?’ Voor mij is het juist de bedoeling van de kunstkijkuren om opgroeiende mensen te helpen om zelfstandig kunstkijker te worden. Een publiek dat zelfstandig een kunstwerk kan benaderen en ‘ondervragen’, en dat vanuit zichzelf iets in een kunstwerk kan vinden. De aanwezigheid van de kunstenaar bij het kijken naar een kunstwerk lijkt mij vooral verstorend. Het kunstkijken wordt een uitje. Maar ja, in deze ‘de-wereld-draait-door-tijd’ lijkt de mens achter de kunstenaar achter het kunstwerk het interessantst.

Nu goed, ik loop door de Rietveld Academie en kom telkens terecht in de kelder. Daar is een ruimte waar vier breimachines op een rijtje staan. De vriendelijke textielwerkplaats-assistente breit een stukje voor ons. De kinderen hebben ook af en toe het handvat van de breimachine heen en weer mogen bewegen. Zij hebben ook gebreid, en dat vinden ze erg fijn. Na het vierde uur zijn er vier grijze lapjes van tien bij vijftien centimeter toegevoegd aan de wereld.

Aan het eind van de dag kom ik er met een klein klasje. Hele lieve kinderen van een groep zeven uit Oost. Ze hebben een schat van een juf die er vandaar niet bij is. Ze is ziek. De kinderen lijken zelf ook verzwakt door de afwezigheid van hun juf. Als het vijftien centimeter grijs uit het apparaat is komen rollen en de textielwerkplaats-assistente wil afhechten, vraagt een klein jongetje: ‘Kunnen we niet nog een stukje breien meester, dan hebben we een das voor de juf?’ En dat doen we. We breien nog twee minuten door en hebben dan een dasje van vijftig centimeter voor de zieke juf.

Stoere jongens en kijkende meisjes.

Ik heb moeite met werken in het Tropenmuseum. Ik ben kunstenaar, en ingangen zoeken bij een kunstwerk om dat werk leesbaar te maken voor kinderen kan ik goed. Maar houten, religieuze beelden uit een heel andere cultuur vind ik lastig. En dan zijn er ook nog de blote piemels.
Zo ook vandaag. Het waren vandaag 12 kinderen van een Daltonschool hier uit de hoofdstad. Allemaal witte kinderen. Dat zie je niet vaak meer. En allemaal ordeloos door elkaar roepend. Twee reeds puberende meisjes, een kop groter dan de jongens, staan te draaikonten en te wiebelen.
‘Stilte!’ bulderde ik. En zowaar, 12 paar ogen keken mij geschrokken aan. Ik geniet een seconde van de stilte en vervolg dan:
‘We gaan vandaag piemels bekijken,’ hef ik mijn net gecreëerde orde weer op.
‘Wat? Nee! Gadverdamme meester.’

‘Kom maar mee.’ zeg ik, en we lopen naar de afdeling Nieuw-Guinea. De kinderen dringen achter mij aan, verwachtingsvol giechelend en smoezend. Vlak voor we de hoek omgaan zeg ik: ‘Je mag lachen, maar zachtjes.’

Er volgt, zoals vaker bij deze niets verhullende boegbeelden van prauwen, een lachcrescendo dat eindigt in gebulder.
Maar dan, ook zoals gewoonlijk, wordt het snel stiller.

Ik vertel wat over het voorwerp, hoe kundig het is gemaakt en leg uit dat een prauw een kano is.
‘Meester,’ begint een van de pubermeisjes weifelend, ‘dat is toch een hele grote piemel?’ Ze kijkt me een beetje angstig aan.
‘Ja joh,’ roept een klein jongetje, ‘en hij is ook van hout!’
Het meisje lijkt niet gerustgesteld.
Ik weet niet zo goed hoe hier verder op in te gaan en gooi het over een andere boeg.
‘Jullie zouden allemaal in de vrouwenboot zitten.’ Vooral de jongens kijken mij verwonderd aan. ‘Welke is eigenlijk de vrouwenboot?’
‘Die natuurlijk!’ wijzen 12 handen naar de vrouwengestalte.
‘Jullie allemaal, ook de jongens zouden nog in de vrouwenboot zitten en in het vrouwenhuis wonen.’ Ik vertel over inwijdingsrituelen en de dapperheid die daarbij verwacht wordt. Ik geef wat voorbeelden en neem ze mee naar een prauw die daar speciaal voor gebruikt werd.

‘Een jongen die wil bewijzen hoe stoer hij is gaat op deze boot liggen, op die krab, die schildpad en die hagedis. De andere bewoners van het dorp testen dan zijn dapperheid. De dapperste jongen mag met het mooiste meisje trouwen.’ leg ik uit.

‘Net als bij ridders.’ zegt een jongen.
‘Leg eens uit?’ vraag ik.
‘Ik kan het niet uitleggen.’ hapert hij. ‘Ik bedoel ridders die met een prinses wilden trouwen.’ gaat hij verder.
‘Als een ridder met een prinses wilde trouwen ging hij naar de koning en vroeg om haar hand. En wat zei de koning dan?’ help ik hem.
‘Die zei dat hij een draak moest verslaan.’ Hij heeft er duidelijk verstand van.
‘En waarom moest hij de draak verslaan?’ vraag ik.
‘Om te laten zien hoe dapper hij was natuurlijk.’

Ik probeer nog wat anders.
‘Ik fiets wel eens over een pleintje hier in de stad en wie staan er dan op een hoek?’
Ze kijken me vragend aan.
‘Stoere jongens, van een jaar of zestien, met brommers.’ zeg ik. ‘En wat doen die jongens daar?’
“Blowen?’ probeert een jongetje verlegen.
‘Nee, stoer doen natuurlijk.’ zegt het ene pubermeisje. Haar klasgenootjes kijken naar haar op.
“En wie zitten er aan de andere kant van het plein op een bankje?’ vraag ik.
‘Een oud omaatje?’ zegt een klein meisje.
‘Nee, de meisjes natuurlijk.’ zegt het andere pubermeisje.
‘En wat doen die meisjes?’
‘Kijken naar de jongens.’
De kinderen kijken verbaasd, om zoveel wijsheid, naar het pubermeisje.
‘Dat ga ik nooit doen.’ zegt het kleine meisje.