We zijn in het nieuwe Stedelijk. Het is een klas met allemaal kleurtjes. Montessori. De jongsten vind ik wel erg klein.
Ik laat ze Washing Hands Abnormal van Bruce Nauman zien.
‘Zonde van het water’, zegt een krullenmeisje.
‘Zonde van de zeep zal je bedoelen’, zegt haar beste vriendinnetje.
Gearmd staan ze te kijken als dames voor een etalage.
‘Laat elkaar eens los. Dit is les, geen gezellig wandelingetje.’ zeg ik streng.
‘Wat zie je?’


‘Iemand die zijn handen wast.’ probeert een wat dikkig meisje met paarse kleren.
‘Gaan we verder?’ vraagt het krullenmeisje.
‘Nee,’ zeg ik, ‘we gaan eerst onderzoeken wat we zien.’
Ik zet het kleinste jongetje met zijn neus voor het scherm.
‘Wat zie je?’ vraag ik.
‘Niks.’ antwoord hij giechelend.
‘Je hebt je ogen open maar je ziet niks. Dat kan niet. Wat zie je?’ ik laat het ge├»rriteerd klinken.
‘Ik zie puntjes meester.’ zegt hij een beetje geschrokken.
‘Goed, welke kleuren?’ vraag ik kortaf.
‘Groen en rood, en blauw, meester. Is dat goed?’
‘Wat zie je rood, groen en blauw?’
Het jochie snapt het niet. Wiebelend staat hij met zijn neus voor de beeldbuis.
‘Waar zijn die rode, groene en blauwe puntjes van gemaakt?’
De klas snapt er niets van. Ze vinden het vervelend dat ik zo geïrriteerd spreek.
‘Licht?’ vraagt het jongetje schutterend.
‘Hartstikke goed kerel.’ zeg ik zacht en belonend, en de spanning zakt al weer. Trots gaat het jongetje weer bij zijn vriendje staan.
‘Rood, groen en blauw licht. Die meiden kletsen uit hun nek als ze zeggen dat ze handen wassen zien.’ Dat laten de vriendinnen, die al weer gearmd staan, zich niet zeggen.
‘Natuurlijk zijn het wel wassende handen, dat zie je toch.’ puft het krullenmeisje.
‘Hij zegt dat hij rode groene en blauwe puntjes licht heeft gezien.’ werp ik haar tegen.
Ongelovig kijken de kinderen mij aan.

‘Weet je nog dat we bij de Nachtwacht waren? Wie stond daar in het midden?’
‘Zo’n man in het zwart, en er waren ook shotguns.’ zegt een knaap met een bol gezicht.
‘En waar was die man van gemaakt?’
Even vraag ik me af of dit te hoog gegrepen is.
‘Verf!’ roept het jongetje.
Ooo, dat bedoel hij lijkt de klas te denken.
‘Ja,’zeg ik ‘ We zien verf, en dat stelt een man in het zwart voor. We zien rood, groen en blauw licht, en dat stelt handen wassen voor. We zien iets, en het betekent iets anders.’ Ik moet het nog een paar keer uitleggen, maar dan snappen ze het allemaal.

We gaan verder.
Tevreden over hoe goed ik dit allemaal heb uitgedacht loop ik, als een eend, met een stoet kinderen achter mij aan door het museum. Ik neem de kinderen mee naar The Gate van Barnett Newman.


‘Wat zie je?’ vraag ik. We zijn gaan zitten op een klein bankje.
‘Niks meester.’ zegt het krullenmeisje.
‘Nee, joh, verf.’ legt het jongetje het nog eens uit.
‘En wat stelt die verf voor?’
‘Niks!’antwoord het beste vriendinnetje ontevreden.

De les gaat verder, ik leg de kinderen uit dat dit abstracte kunst wordt genoemd. Dat abstracte kunst alleen zichzelf voorstelt en niet iets anders. En later vertel ik dat het schilderij The gate (de poort) heet. En dan zien de kinderen een poort. De knaap met het bolle gezicht houdt zijn hoofd schuin en ziet een landschap. Alle kinderen houden hun hoofd schuin en zien een landschap.
Alle kinderen zijn stil en staren naar het schilderij.

‘Ik kan iets zien dat nergens van is gemaakt.’ fluistert het meisje in paarse kleren.
‘Vertel eens?’ vraag ik haar.
Het meisje krijgt een rood hoofd.
‘Het is eigenlijk geheim.’
De hele klas kijkt naar haar.
‘Wil je het ons vertellen?’ vraag ik zo vriendelijk mogelijk.
‘Nou,’ ze lijkt te krimpen, ‘toen ik nog op mijn andere school zat, toen werd ik heel erg gepest, en toen heb ik een vriendje bedacht. Hij is altijd bij me. Ik kan hem zien’
‘Is hij er nu ook?’ vraagt het krullenmeisje.
‘Ja, hij staat daar, daar in die hoek.’
We kijken allemaal in een witte hoek van de Erezaal van het Stedelijk.
‘Dat is ook abstract.’ zegt het kleine jongetje.