We zijn in het Rijksmuseum. Ik ben voor De bedreigde zwaan van Jan Asselijn gaan zitten.

Het is een montessoriklas van groep 6, 7 en 8, die vorig jaar ook al mee heeft gedaan aan de kunstkijkuren. De kinderen van groep zeven en acht kijken me aan alsof ze de hele wereld al begrijpen, maar er zijn ook zesdegroepertjes voor wie alles nieuw is.

‘Die hebben we vorig jaar ook al gezien’, zegt een grote jongen.
Een klein meisje met een hertje op haar t-shirt blijft naar mij staren.
‘Je moet naar het schilderij kijken Bambi. Dat licht dat door die veertjes schijnt is veel interessanter dan die kop van mij.’

‘Hebben jullie hem vorig jaar gezien, of zijn jullie er langs gelopen?’ vraag ik.
‘We hebben er toen over gepraat. Over die woorden die er op staan, kijk daar, de Raadspensionaris.’
‘Oh, ja, nu weet ik het ook weer. Kijk daar, De viand van de staat. Dat betekent vijand.’
‘En daar, Holland, op die eieren.’
“Ik vind die zwaan heel mooi’, zegt het meisje met het Bambi-shirt zachtjes.

Ik laat de zesdegroepertjes zien waar de woorden op het schilderij zijn geschreven.

horizontaal-diagonaal-raadspensionaris horizontaal-diagonaal-de-viand-van-de-staat horizontaal-diagonaal-holland

‘Het schilderij heet: De bedreigde zwaan. Maar waardoor wordt die zwaan nu eigenlijk bedreigd?’ vraag ik.
‘Door die hond natuurlijk’, antwoordt de grote jongen.
‘Dat klopt,’ zeg ik, ‘maar is er op het schilderij nog iets anders dreigends te zien?’
De kinderen kijken.

‘Die wolken’, zegt een dunne jongen.
‘Ja,’ zeg ik, ‘moet je die wolk zien. Wat is dat voor een soort wolk?’
‘Een donderwolk’, zegt de dunne jongen.
‘Heb je wel eens gehoord over dreiging die in de lucht hangt?’ vraag ik.
‘Ja natuurlijk!’ roept het Bambimeisje. Ze kijkt zelf een beetje dreigend.

‘Moet je nu eens kijken’, begin ik, ‘die hond staat in de linker benedenhoek, en die wolk rechtsboven. De kop van de zwaan is er tussenin. Hoe noem je een lijn van linksonder naar rechtsboven?’
De kinderen lijken niet te snappen wat ik bedoel.
‘Schuin,’ zegt dan de dunne jongen kordaat.
“Ja, maar wat is een ander woord voor schuin?’ De klas kijkt mij aan.
‘Diagonaal?’ doorbreekt de grote jongen de stilte.
‘Goed zo. Niet horizontaal, niet verticaal, maar diagonaal’, doe ik pedagogisch mijn best.
‘En is dit nu een rustig of een druk schilderij?’ vraag ik.
‘Druk meester’, roepen ze door elkaar.
‘Juist,’ zegt ik, ‘dat komt door die schuine lijn, die maakt het schilderij druk. Kom op, we gaan zoeken naar nog meer drukke en rustige schilderijen.’

‘Deze meester!’ roept een klein jongetje, wijzend op een zeestuk van Jan van de Cappelle.

‘Is dit een druk of een rustig schilderij?’ vraag ik naar de bekende weg.
‘Rustig natuurlijk,’ wordt er geantwoord.
‘Maar er wordt geschoten door een van die boten’, probeer ik verwarring te scheppen.
‘Toch is het rustig. Kijk maar naar de horizon’, legt het Bambimeisje mij uit.

‘En deze?’ vraag ik duidend op een ander zeestuk van Ludolf Bakhuysen.

‘Druk!’ roepen de kinderen.
‘Ja, diagonale masten’, verduidelijk ik.
Na nog een paar schilderijen hebben alle kinderen het door.

‘Kom,’ zeg ik dan, ‘we gaan naar de Nachtwacht.’
Als we net voor het schilderij zitten, en ik constateer dat ik nog een mooi half uurtje heb, komt er een grote groep medewerkers van het museum de zaal binnen. We moeten opstaan, en met blauw lint wordt de helft van de zaal afgezet. De vitrine met zestiende eeuwse geweren is scheefgezakt.

De les valt stil. Dit is veel te spannend. Muisstil staan de kinderen achter het lint te kijken. Het glas wordt losgemaakt en de musketten worden uit hun dragers getild. Een voor een komen ze tot leven.
‘Spannend hè meester’, zegt een klein jongetje met grote ogen.
‘Ja,’ bevestig ik, ‘ik hoop niet dat er een afgaat.’ Het jongetje kijkt me bezorgd aan.
Een medewerkster van het museum legt de kinderen uit dat de geweren naar een opslagkamer gaan tot de vitrine weer gerepareerd is.
Vijf medewerkers lopen achter elkaar, ieder een musket dragend, de zaal uit.
‘Kijk meester,’ zegt plots het Bambimeisje, ‘ze dragen de geweren diagonaal. Wat een drukte!’