De school is nieuw. De trappen gaan op en af. De juf is mooi.
Ik ben in een school. De inleidende lessen zijn aan de beurt deze week. In die lessen vertel ik de kinderen over de musea, wat we er gaan doen, wat ik van hen verwacht, en ik vertel over het leven van Vincent van Gogh. We gaan maar een keer naar het Van Goghmuseum. Ik vind het zonde om die tijd aan zijn leven te besteden. Dat leven dat voor kinderen zoveel vragen oproept. Het werkt ook goed om het levensverhaal en de schilderijen op losstaande momenten te behandelen. Ik denk dat je het werk van Van Gogh geen recht doet als je depressie, zelfmoord, armoede en afgesneden oren gaat zoeken.

‘Meester, gaan we ook naar het tropisch museum?’ roept een jongen met halflang blond haar na twee minuten. Ik had ook van dat haar, toen ik nog met mijn neus, in plaats van mijn rug, naar het schoolbord gericht zat.
‘Daar zal het wel warm zijn.’ antwoord ik. Het meisje met het blauwe truitje voor hem, begint te grinniken. Zij is uit groep zes, en hij uit groep acht; een montessoriklas. Ze draait zich om en zegt: ‘Tropenmuseum oenie, niet tropisch.’
‘Wat zijn eigenlijk de tropen?’ houd ik de klas voor.
‘Dat is heel warm.’ antwoordt de andere jongen met halflang blond haar, die duidelijk niet naast zijn gelijk gekapte vriendje mag zitten en dus maar onderuitgezakt onder de vensterbank hangt.
‘Nee joh, tropen is geen temperatuur.’ dient het meisje met het blauwe truitje ook hem van repliek.
‘Er is ook woud’, zegt een klein jongetje, dat in de schaduw van de reus naast hem, mij nog niet was opgevallen. ‘En wilde dieren en leeuwen en tijgers en slangen’, gaat hij verder, ‘en regen en lianen en woudreuzen.’ De klas kijkt bewonderend naar hem.
‘Ja dat klopt’, antwoord ik, ‘maar ik bedoel niet wat je er hebt, maar wat het is’.
De klas is stil.
‘Dat zijn de landen in de buurt van de evenaar.’ zegt de juf plots.
‘Ja, hartstikke goed juf.’ zeg ik dan maar.
Ik vertel over het Tropenmuseum en over hoe een museum aan haar collectie komt. Ik vraag wie er iets verzamelt, en we hebben het nog even over het begrip volkeren, dat door een meisje wordt verward met folklore.
.
‘Vierhonderd jaar geleden kwamen de Hollanders aan in IndonesiĆ«, zetten voet aan land en riepen: ‘Mooi, nu is dit land van ons’. Maar als ik nu bij jou in je tuin kom,’ zeg ik tegen de jongen met halflang haar, ‘En ik zeg: ‘Zo nu is deze tuin van mij.’ wat zou jij dan zeggen?’
‘Opgedonderd!’ roept hij.
‘Ja, en waarom zeiden die mensen die al duizenden jaren in IndonesiĆ« woonden dat dan niet?’
Er valt een stilte. De juf wil iets zeggen, maar ik kan haar nog net met een handgebaar daarvan weerhouden.
‘Misschien durfden ze het niet?’ probeert het kleine jongetje. ‘Of ze wisten niet hoe dat moest.’ doet hij nog een poging.
‘Nee, ze hadden geen wapens.’ zegt het kleine meisje met het blauwe truitje.
‘Precies,’ zeg ik, ‘En wat voor wapens hadden ze niet?’
De klas denk na.
‘Vuurwapens!’ zegt de jongen onder de vensterbank.
‘Juist,’ zeg ik. ‘Ze hadden geen geweren en geen kanonnen, geen pistolen en geen musketten.’
‘Uzi,’ zegt dan de reus naast het kleine mannetje.
Het is het enige woord dat hij tot nog toe gezegd heeft.

De les gaat verder maar blijft onrustig en chaotisch. We hebben het nog over abstractie en Rembrandt en het verschil tussen mooi en prachtig en lelijk en afschuwelijk. Als ik heb verteld dat we in elk museum op de grond gaan zitten en dat ze niet mogen wijzen naar een schilderij is de les voorbij.
‘Ik heb wel zin in deze klas’, denk ik. Ik neem afscheid en wil weggaan.
Als ik langs de reus loop, fluistert hij me nog toe: ‘AK-47.’