Bij de deur staat een jongen die met zijn rechterhand een stuk karton boven zijn hoofd houdt. In zijn linkerhand houdt hij een camera. Hij maakt foto’s van handen die een deurklink vastpakken. De kinderen kijken verwonderd, maar ook afwijzend.

‘Wat deed die man?’ vraagt een dik Turks meisje met een knellende spijkerbroek.
‘Ik weet het niet,’ zeg ik, ‘kom, dan gaan we het vragen.’

Ik ben weer in de Rietveld Academie. En net als vorige week hoost het van de regen.

‘Wat bent u aan het doen?’
‘Sorry, ik spreek niet Nederlands.’
‘What are you doing?’
‘I’m taking pictures from hands on the door. The differences in how people open a door interests me.’

‘Wat meester, wat zegt hij?’
Ik vertaal wat hij verteld heeft en vraag dan waar hij vandaan komt.
‘I’m from Turkey, from Istanbul’
‘Wat, meester, komt hij uit Turkije.’
Vier meisjes staan direct vooraan. Voorzichtig beginnen ze Turks met hem te spreken. Het gesprek gaat in het Turks, Engels en Nederlands langzaam vooruit.
‘Meester, komen er ook kunstenaars uit Turkije?’
‘Ja, er staat er eentje voor je neus.’

‘Is hij een kunstenaar?’ vraagt een van de Turkse meisjes met een schuin oog op de jongen gericht. Er volgt weer een gesprekje in het Turks.
‘Hij weet nog niet of hij kunstenaar is.’ vertaalt een van de meisjes.
‘Hij ziet er uit als een zanger.’ De meisjes giechelen.

We spreken af dat we hem, aan het eind van het uur, weer zullen treffen om de foto’s te bekijken. Na het breien, en een bezoekje aan het computerlokaal, gaan we de Turkse jongen weer opzoeken.

Aarzelend staat hij ons op te wachten. Zestien allochtone Nederlandse kinderen die hij zijn werk laat zien, met dat idee zal hij niet zijn bed zijn uitgestapt. Hij laat ons de foto’s zien van de handen die de deur aanraken. De kinderen kijken met opgetrokken neus. Ik vraag of dit het kunstwerk is, of dat dit materiaal is waarmee hij een kunstwerk wil gaan maken. Wat hem interesseert is dat iedereen op een verschillende manier de deur opent.
‘Niemand is hetzelfde.’ zegt hij.
De Turkse meisjes die buiten met hem hebben staan praten kijken met grote ogen, maar draaien langzaam van hem weg.
‘Ik vind het maar gek,’ zegt een van hen, ‘foto’s van handen, dat kan toch iedereen.’
Er volgt weer een gesprekje in het Turks waarbij ik de gezichten van de kinderen zie opklaren.

Als we in de gang naar de jassen lopen vraag ik waar dat laatste gesprekje over ging.
‘Ach, hij is wel Turks, maar hij is geen Moslim.’ zegt het meisje met de strakke spijkerbroek.