En dan eindelijk is het zover. Ik heb voor het eerst een gevecht in de klas.
Het was het eerste uur. Vers van de fiets, in het Amsterdams Historisch Museum, vliegen er twee elkaar in de haren. Een lief meisje met een brilletje, dat ze veertien keer per les in en uit haar brillenkoker neemt, en een stille, mooie jongen. Bovenaan de trap hoor ik rumoer achter mijn rug. Ik draai me om en zie haar hem duwen. Ogenblikkelijk vliegt hij haar aan. Ik kan gelukkig nog net tussenbeide komen. Het kost me moeite ze uit elkaar te houden. En ook mijn roepen, dat ze dienen op te houden, lijkt geen invloed te hebben. Uiteindelijk stoppen ze toch. Ik ben geschokt door het voorval en erg kwaad.

“Niet in mijn les! Ergens anders doe je wat je wilt, maar niet in mijn les!” bulder ik. Dat ik geen vechtende kinderen in mijn les wil hebben is het enige dat me te binnen schiet. Ik ben me bewust dat mijn geroep pedagogisch misschien niet de juiste zet is, maar ik laat mijn kwaadheid en verontwaardiging de vrije loop. De twee kijken naar me, maar mijn woorden, hoe hard ik ze ook roep, lijken niet bij ze binnen te komen.

Dan komt de juf.
“Wat is hier aan de hand?” vraagt ze rustig.
Met grote verbazing hoor ik de jongen uiterst rustig zeggen: “Wij liggen elkaar niet zo goed juf.”
Het meisje, ook alsof er niets is gebeurd: “Ja juf, ik duwde hem en toen begonnen we te vechten.”
“Wat moet je doen als je boos bent?” vraagt de juf aan het meisje.
“Bij u komen juf.” antwoordt ze.
De juf kijkt me aan.

“Iedereen weer rustig?” vraag ik. “Zullen we dan maar weer verder gaan?”
“Ben jij ook weer rustig?” vraagt de juf glimlachend aan mij.
Ik knik en als een moedereend loop ik met een tros kleintjes verder het museum in. Ik voel het nog wat natrillen in mijn borst.

We gaan lekker naar die ‘dooie man’ van Rembrandt kijken.