Soms vind ik het werk vervelend. Zo ook gisteren. Wachtend op een leuke opmerking van een kind voor deze blog, loop ik rond op de Rietveld Academie. De kinderen hobbelen achter mij aan.
Ik werk hier voor het eerst. Ik vind het persoonlijk geen goed idee om kinderen, die je wilt laten kennis maken met het beste en mooiste dat we hebben aan kunst, mee te nemen naar een academie waar overduidelijk het kaf nog van het koren moet worden gescheiden. Maar goed, het is een noodsituatie. Het Stedelijk Museum is dicht. We willen de kinderen ook iets van het heden laten zien. We hebben in Amsterdam op het gebied van moderne kunst onze kinderen momenteel niets anders te bieden dan de Rietveld Academie en een dependance van de Architectuur Biënnale.
Dus ik loop, met mijn ziel onder mijn arm door de Rietveld Academie.
Neemt niet weg dat het voor de kinderen leuke lessen zijn. Ze vermaken zich met naar de gekke mensen kijken die rondlopen door de gangen.
‘Kijk meester, een jongen met een knotje!’
‘Hé kijk, dat rare meisje loopt op blote voeten.’

Af en toe spreken we een student. Dat vinden de kinderen eigenlijk het leukst. Ze vinden het razend interessant om een ‘echte’ kunstenaar te spreken. En net als deze kinderen het leuk vinden is het een groeiende vraag van museumbezoekers: ‘Zouden we de kunstenaar kunnen ontmoeten?’ Voor mij is het juist de bedoeling van de kunstkijkuren om opgroeiende mensen te helpen om zelfstandig kunstkijker te worden. Een publiek dat zelfstandig een kunstwerk kan benaderen en ‘ondervragen’, en dat vanuit zichzelf iets in een kunstwerk kan vinden. De aanwezigheid van de kunstenaar bij het kijken naar een kunstwerk lijkt mij vooral verstorend. Het kunstkijken wordt een uitje. Maar ja, in deze ‘de-wereld-draait-door-tijd’ lijkt de mens achter de kunstenaar achter het kunstwerk het interessantst.

Nu goed, ik loop door de Rietveld Academie en kom telkens terecht in de kelder. Daar is een ruimte waar vier breimachines op een rijtje staan. De vriendelijke textielwerkplaats-assistente breit een stukje voor ons. De kinderen hebben ook af en toe het handvat van de breimachine heen en weer mogen bewegen. Zij hebben ook gebreid, en dat vinden ze erg fijn. Na het vierde uur zijn er vier grijze lapjes van tien bij vijftien centimeter toegevoegd aan de wereld.

Aan het eind van de dag kom ik er met een klein klasje. Hele lieve kinderen van een groep zeven uit Oost. Ze hebben een schat van een juf die er vandaar niet bij is. Ze is ziek. De kinderen lijken zelf ook verzwakt door de afwezigheid van hun juf. Als het vijftien centimeter grijs uit het apparaat is komen rollen en de textielwerkplaats-assistente wil afhechten, vraagt een klein jongetje: ‘Kunnen we niet nog een stukje breien meester, dan hebben we een das voor de juf?’ En dat doen we. We breien nog twee minuten door en hebben dan een dasje van vijftig centimeter voor de zieke juf.