Ik heb moeite met werken in het Tropenmuseum. Ik ben kunstenaar, en ingangen zoeken bij een kunstwerk om dat werk leesbaar te maken voor kinderen kan ik goed. Maar houten, religieuze beelden uit een heel andere cultuur vind ik lastig. En dan zijn er ook nog de blote piemels.
Zo ook vandaag. Het waren vandaag 12 kinderen van een Daltonschool hier uit de hoofdstad. Allemaal witte kinderen. Dat zie je niet vaak meer. En allemaal ordeloos door elkaar roepend. Twee reeds puberende meisjes, een kop groter dan de jongens, staan te draaikonten en te wiebelen.
‘Stilte!’ bulderde ik. En zowaar, 12 paar ogen keken mij geschrokken aan. Ik geniet een seconde van de stilte en vervolg dan:
‘We gaan vandaag piemels bekijken,’ hef ik mijn net gecreĆ«erde orde weer op.
‘Wat? Nee! Gadverdamme meester.’

‘Kom maar mee.’ zeg ik, en we lopen naar de afdeling Nieuw-Guinea. De kinderen dringen achter mij aan, verwachtingsvol giechelend en smoezend. Vlak voor we de hoek omgaan zeg ik: ‘Je mag lachen, maar zachtjes.’

Er volgt, zoals vaker bij deze niets verhullende boegbeelden van prauwen, een lachcrescendo dat eindigt in gebulder.
Maar dan, ook zoals gewoonlijk, wordt het snel stiller.

Ik vertel wat over het voorwerp, hoe kundig het is gemaakt en leg uit dat een prauw een kano is.
‘Meester,’ begint een van de pubermeisjes weifelend, ‘dat is toch een hele grote piemel?’ Ze kijkt me een beetje angstig aan.
‘Ja joh,’ roept een klein jongetje, ‘en hij is ook van hout!’
Het meisje lijkt niet gerustgesteld.
Ik weet niet zo goed hoe hier verder op in te gaan en gooi het over een andere boeg.
‘Jullie zouden allemaal in de vrouwenboot zitten.’ Vooral de jongens kijken mij verwonderd aan. ‘Welke is eigenlijk de vrouwenboot?’
‘Die natuurlijk!’ wijzen 12 handen naar de vrouwengestalte.
‘Jullie allemaal, ook de jongens zouden nog in de vrouwenboot zitten en in het vrouwenhuis wonen.’ Ik vertel over inwijdingsrituelen en de dapperheid die daarbij verwacht wordt. Ik geef wat voorbeelden en neem ze mee naar een prauw die daar speciaal voor gebruikt werd.

‘Een jongen die wil bewijzen hoe stoer hij is gaat op deze boot liggen, op die krab, die schildpad en die hagedis. De andere bewoners van het dorp testen dan zijn dapperheid. De dapperste jongen mag met het mooiste meisje trouwen.’ leg ik uit.

‘Net als bij ridders.’ zegt een jongen.
‘Leg eens uit?’ vraag ik.
‘Ik kan het niet uitleggen.’ hapert hij. ‘Ik bedoel ridders die met een prinses wilden trouwen.’ gaat hij verder.
‘Als een ridder met een prinses wilde trouwen ging hij naar de koning en vroeg om haar hand. En wat zei de koning dan?’ help ik hem.
‘Die zei dat hij een draak moest verslaan.’ Hij heeft er duidelijk verstand van.
‘En waarom moest hij de draak verslaan?’ vraag ik.
‘Om te laten zien hoe dapper hij was natuurlijk.’

Ik probeer nog wat anders.
‘Ik fiets wel eens over een pleintje hier in de stad en wie staan er dan op een hoek?’
Ze kijken me vragend aan.
‘Stoere jongens, van een jaar of zestien, met brommers.’ zeg ik. ‘En wat doen die jongens daar?’
“Blowen?’ probeert een jongetje verlegen.
‘Nee, stoer doen natuurlijk.’ zegt het ene pubermeisje. Haar klasgenootjes kijken naar haar op.
“En wie zitten er aan de andere kant van het plein op een bankje?’ vraag ik.
‘Een oud omaatje?’ zegt een klein meisje.
‘Nee, de meisjes natuurlijk.’ zegt het andere pubermeisje.
‘En wat doen die meisjes?’
‘Kijken naar de jongens.’
De kinderen kijken verbaasd, om zoveel wijsheid, naar het pubermeisje.
‘Dat ga ik nooit doen.’ zegt het kleine meisje.