Het Van Gogh Museum is erg druk.
De groep die nu binnenkomt is groot. Zestien kinderen heb ik in mijn groep. Het zijn ook grote kinderen. Maar de afgelopen lessen zijn goed verlopen. We zijn in het Amsterdams Historisch Museum en in het Rijksmuseum geweest. Het is een montessorigroep waarin de meisjes de dienst uitmaken. Een paar meisjes dragen onhandig oogschaduw.
Er zit een jongen in de groep die zichzelf graag hoort praten. Hij zegt ook vaak goede dingen, maar net als de andere kinderen en met name de meisjes vind ik zijn betweterigheid vaak vervelend.
Als we ons door het detectiepoortje hebben gewurmd ga ik direct naar het Zelfportret als schilder.

‘Dit schilderij vind ik erg mooi.’ begin ik maar eens optimistisch.
‘Wat heeft die een gek haar, was hij punk meester?’ zegt een meisje als we vlak voor het schilderij staan.
‘Waarom zou je jezelf schilderen als je zo’n lelijk hoofd hebt?’ zegt een ander.
‘Ik vind het juist heel mooi.’ probeert de betweter mij te vleien.
Een zucht gaat door de groep.

‘Hebben jullie groen in jullie gezicht?’ vraag ik.

‘Gatver, tuurlijk niet.’ antwoordt een meisje.
‘En rood in jullie haar?’ ga ik door.
‘Nee!’
Ik laat de kinderen door hun wimpers kijken.
‘Hé’, roept de betweter, ‘De kleuren mengen in onze ogen.’
Hij maait de clou voor mijn voeten weg.

We gaan naar Zelfportret met vilthoed.

Ook hier veel afschuw en verbazing over de houding die van Gogh ten opzichte van zichzelf heeft.
Ik laat de kinderen vanaf tien meter naar het schilderij kijken, en weer mengen de kleuren en vinden de kinderen dat prachtig.
‘Volgens mij hield van Gogh erg van kijken.’ zegt plots een meisjes dat de ruimte tussen haar wenkbrauw en  haar ogen nog niet mooier wil maken.

De opmerking komt uit de lucht vallen.
‘Ik vind het prachtig gezegd, maar waarom denk je dat?’ vraag ik.
‘Dat zie je aan zijn ogen.’ antwoordt ze. ‘Hij kijkt niet naar ons, hij kijkt naar zichzelf.’
Ze kan het niet verder uitleggen. Ik begrijp haar, maar kan het voor de rest van de groep ook niet verhelderen.
‘Meester, hij heeft twee kleuren ogen, net als mijn kat.’ lacht een meisje.
‘David Bowie heeft dat ook.’ zegt de betweter. ‘Mijn moeder is daar fan van.’

Ik neem ze mee naar Zelfportret met strohoed.

Ook hier twee verschillend gekleurde ogen.
‘Ze heeft gelijk,’ zegt de betweter, ‘Hij kijkt naar zijn eigen ogen.’

‘s Avonds thuis heb ik een heleboel ogen van Van Gogh opgezocht.